Julius van Dam (Menzis)

Over preferentiebeleid bij biologicals doen een hoop indianenverhalen de ronde, stelt Julius van Dam van Menzis. Hij is dan ook blij met de uitspraak van het CVZ, dat volgens hem “klip en klaar gesteld heeft dat er geen bezwaren zijn tegen de wijze waarop Menzis preferentiebeleid met deze categorie middelen bij nieuwe patiënten wil uitvoeren.”

Zorgverzekeraars voeren al jaren een preferentiebeleid, met als effect dat generieke medicijnen met dezelfde werkzame stof als de originele, tegen een fractie van de prijs worden aangeboden. “Zo besparen wij de BV Nederland jaarlijks meer dan 400 miljoen euro op geneesmiddelenkosten”, stelt Van Dam. Dit is een belangrijk instrument om de kosten te drukken en dat willen we ook met biologisch bereide middelen. Prijsverschillen lopen op tot wel 95 procent.” Tegenstanders voeren aan dat dit beleid mag voor chemische geneesmiddelen, maar niet voor biologicals. Daar kan geen sprake zijn van het criterium ‘dezelfde werkzame stof’, waarmee het juridisch fundament onder het beleid wegvalt. “Onjuist!”, zegt Van Dam. “Het uitgangspunt van de Europese registratieautoriteiten is dat een biosimilar vergelijkbaar moet
zijn aan het referentieproduct voor wat betreft kwaliteit, veiligheid en effectiviteit. Dat is het geval bij alle biosimilars die in Europa op de markt zijn. Het CVZ stelt duidelijk dat het bij biologische geneesmiddelen voor nieuwe gebruikers om inwisselbare stoffen gaat, dus is er geen enkele belemmering voor preferentiebeleid bij deze patiënten.”

Oneigenlijk
De discussie wordt in zijn optiek gevoerd op basis van oneigenlijke argumenten. Zo zeggen tegenstanders van preferentiebeleid dat het onverantwoord is om bestaande patiënten over te laten stappen op een biosimilar. Menzis wil het preferentiebeleid met biosimilars alleen bij nieuwe patiënten toepassen. “Het is treurig dat farmaceuten iets blijven roepen dat aantoonbaar niet klopt. Het gaat vaak om geneesmiddelen die kort gebruikt worden, dus is helemaal geen sprake van switchen. Uit oogpunt van traceerbaarheid is het ongewenst dat patiënten ongecontroleerd switchen naar biosimilars, daar is iedereen het over eens. Als ziekenhuisapotheker weet ik heel goed wat het in de praktijk betekent om van geneesmiddel te wisselen, daar moet je heel zorgvuldig mee omgaan. De beslissing is nu genomen om bestaande patiënten niet te laten switchen of slechts onder uitzonderlijke omstandigheden en in nauw overleg met de arts. Voor nieuwe patiënten is het verzet op inhoudelijke gronden totaal niet te rechtvaardigen.” Wat is dan de reden voor het verzet van de kant van de farmacie? “Het lijkt erop dat de farmaceuten gewoon aankoersen op oneigenlijke octrooiverlenging. De ethiek van de octrooien is dat een octrooihouder een aantal jaren bescherming geniet. Daarvoor moet hij de gegevens ter beschikking stellen aan anderen. Door extra obstakels op te werpen en daarmee een monopoliepositie te creëren, kan de prijs hoog worden gehouden. Bovendien stelt men dat om gelijke veiligheid aan te tonen, opnieuw klinische testen onder grote groepen mensen nodig zijn. Daar zijn wij het ook niet mee eens.” “Wat de discussie verder vertroebelt, is dat de schijn wordt gewekt dat biolosimilars zich onderscheiden van het origineel door het verschil in de werkzame stof. Dat is zuiver biochemisch gezien in zekere zin waar, maar dat geldt evenzeer voor verschillen tussen bereidingsbatches zowel bij het origineel als de biosimilar. Men vindt dat verschil tussen batches klinisch niet relevant, maar opeens wel tussen biosimilar en origineel”, stelt Van Dam. “Men suggereert dat het overgaan op biosimilars gevaarlijk kan zijn omdat niet elke partij chemisch identiek is. Maar dat geldt net zo goed voor de originele biologicals als reguliere medicijnen. Er wordt ook gesleuteld aan originele biologicals vanwege productieverandering, onder het mom van ‘betere werkzaamheid’ of uit kostenoogpunt, zonder dat dat gecommuniceerd wordt met artsen of geregistreerd op
patiëntniveau. Artsen slikken dat en er is ook niks mis mee, maar kom dan niet aan met die selectieve verontwaardiging alsof het gevaar van switchen alleen zou gelden voor biosimilars. Dan voer je geen zuivere discussie.”

Arts bepaalt
Er is nog iets waar hij zich over opwindt. Zorgverzekeraars krijgen vaak voor de voeten geworpen dat het preferentiebeleid betekent dat zij bepalen wat een patiënt krijgt, in plaats van de arts. “Zorgverzekeraars gaan niet over het voorschrijven. De arts is de voorschrijver, ook als er sprake is van preferentiebeleid. Hij schrijft voor op basis van stofnaam. Wij als verzekeraar mogen vervolgens bepalen dat de goedkoopste variant wordt vergoed. Dat hoeft overigens niet altijd een biosimilar te zijn, dat kan ook best een origineel zijn. Als de arts stelt dat zijn patiënt op medische gronden echt het origineel nodig heeft, dan gebeurt dat. De arts is de bepalende factor als het gaat om voorschrijven.” Al met al is volgens Van Dam de weg nu vrij om in volle vaart het preferentiebeleid weer op te gaan pakken. “Dat beleid heeft een jaar in de ijskast gestaan, hangende de uitspraak van het CVZ. Dat heeft ons land veel geld gekost. Het is hoog tijd om dat recht te breien.”