Biologische geneesmiddelen zijn een klasse apart. Het is volslagen onmogelijk om daar het preferentiebeleid op los te laten, zegt general manager Alex Leather van Amgen. “Gelukkig heeft het CVZ dat begrepen. Het preferentiebeleid is hiermee van de baan.”
Het maken van chemische geneesmiddelen is een ingewikkeld proces. Het maken van biologische geneesmiddelen is nog veel ingewikkelder. Bij biologicals gaat het om relatief grote moleculen met driedimensionale structuren met lichaamseigen stoffen, legt Alex Leather uit. “Je hebt te maken met levende cellen. Dat vraagt om een totaal ander en zeer intensief productieproces.” Farmaceuten die ze ontwikkelen hebben de octrooien nodig om de hoge ontwikkelingskosten terug te verdienen. Nu steeds meer octrooien op biologicals verlopen, klinkt de maatschappelijke roep om goedkopere alternatieven. Generieke producten, kunnen ervoor zorgen dat de prijzen dalen en dat is in een tijd van oplopende kosten in de gezondheidszorg geen overbodige luxe. Echter, generieke producten bestaan volgens Leather helemaal niet in de wereld van de biologische medicijnen. “Het vertrekpunt van het preferentiebeleid is dat er sprake moet zijn van generieke substituties: vervanging door identieke producten. Dat is niet aan de orde, zoals ook in de brief van CVZ te lezen staat. Bij biologicals praat je niet over generieke producten, maar over zogeheten biosimilars: producten die erop lijken. Juist omdat je te maken hebt met levend materiaal, een complex productieproces en lichaamseigen stoffen, is het niet mogelijk om volledig gelijkende middelen te maken. Je kunt het alleen ‘similar’ maken: zo gelijk mogelijk. Een biosimilar kan qua werkzame stof de innovator benaderen maar qua effectiviteit en veiligheid niet identiek zijn - en dus niet vervangbaar. Alle biologicals (ook de biosimilars) zijn uniek en dus is preferentiebeleid voor deze categorie medicijnen per definitie onmogelijk.”
Praktijk
In de praktijk kunnen biologicals en biosimilars voor verschillende indicaties of verschillende toedieningswijzen geregistreerd zijn. “Stel dat een origineel product geregistreerd is voor vijf ziektebeelden, met twee verschillende toedieningswijzen: subcutaan en intraveneus. Maar de biosimilar is maar voor twee van die ziektebeelden getest en kan alleen maar intraveneus worden toegediend. Dat kan voor problemen zorgen. Het automatisch vervangen van die medicijnen is vragen om moeilijkheden. Bij preferentiebeleid zou het kunnen dat er een ander middel wordt voorgeschreven dat niet geregistreerd is voor diezelfde indicatie of toedieningswijze. Dat druist in tegen het gezonde verstand en tegen de nationale en internationale wetgeving.” Ook in Frankrijk, Zweden, Engeland, Spanje en Noorwegen was de overheid al tot de conclusie gekomen dat substitutie met biologicals niet verantwoord is.
Arts
Er is nog een ander bezwaar tegen het preferentiebeleid: het ondergraaft de positie van de arts als voorschrijver van geneesmiddelen. “Wij zijn als farmaceuten niet tegen biosimilars”, verzekert Leather. “We zijn alleen tegen het preferentiebeleid bij biologische geneesmiddelen. Dat is wezenlijk iets anders. De biosimilars die in Europa op de markt zijn toegelaten, zijn volwaardige medicijnen. Het voorschijven ervan hoort een verantwoordelijkheid te zijn van de arts. Die hoort op inhoudelijke gronden een keuze te maken voor het beste geneesmiddel voor de individuele patiënt. Bij eerste voorschrift kan dat een origineel of een biosimilar zijn, maar eenmaal goed ingesteld, moet niet meer worden geswitcht. Met het preferentiebeleid staat de verantwoordelijkheid van de arts op de tocht, omdat de zorgverzekeraar in de praktijk de beslissing neemt. Het preferentiebeleid is geen keuze op inhoud, maar een selectie voor het laagst geprijsde geneesmiddel. Kosten moeten natuurlijk worden meegewogen, maar mogen nooit het enige argument zijn. De arts heeft een beslissende rol en dat moet ook vooral zo blijven. Bij preferentiebeleid met biologicals gaat de verzekeraar op de stoel van de arts zitten. Zoals het CVZ ook aangeeft, is het niet acceptabel dat de verzekeraar op de stoel van de arts gaat zitten. Daarmee is de weg naar preferentiebeleid afgesloten.” De keuze voor het goedkoopste middel zal in de praktijk meestal betekenen dat originele biologicals buiten de boot vallen. Maar uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid voor het voorschrijven toch bij de arts. Maar als de arts op goede gronden zijn patiënt een original voor wil schrijven, kan dat toch? “In theorie wel”, zegt Leather. “Maar als dat medicijn niet vergoed
wordt, is dat eigenlijk niet meer dan een farce. Op het moment dat het recept bij de apotheek komt, wordt de arts als het ware ‘overruled’ en krijgt de patiënt automatisch het goedkopere middel. Dat is een slechte zaak, want het betekent de facto dat het de verzekeraar is die aan de touwtjes trekt.”
Prijzen
De farmacie beticht de verzekeraars ervan louter op geld te sturen, maar die zien op hun beurt de farmaceuten als geldwolven. Moeten die prijzen voor biologicals nu echt zo hoog blijven? “Prijs is een relatief begrip”, stelt Alex Leather. “Zeker als je de gezondheidswinst afzet tegen de maatschappelijke kosten van ziekte. Daar komt bij dat de prijzen van medicijnen inclusief de biologicals waarvan het patent verlopen is, de afgelopen jaren al flink omlaag zijn gegaan. Het is belangrijk om de ziektekosten omlaag te brengen. Daar willen wij als farmaceutische industrie ook zeker onze verantwoordelijkheid in nemen.
Er is ruimte voor competitie, maar preferentiebeleid met biologicals is absoluut geen aanvaardbaar middel om de prijs te drukken.”