In de Nederlandse LSH-sector nemen kleine en middelgrote bedrijven een unieke plaats in. Het zijn de spin-offs en spinouts van het wetenschappelijk onderzoek waar Nederland zo sterk in is. Daar liggen de beste mogelijkheden om op de internationale kaart te komen. Dat vindt Willem van Weperen van biotech bedrijf to-BBB. “Het is fantastisch dat LSH is aangewezen als een topsector, dat had al veel eerder moeten gebeuren.”
Het accent moet dus vooral komen te liggen op het stimuleren van die kleine bedrijven, die moeten de middelen krijgen om mee te kunnen doen met de grote spelers in de markt. Van Weperen: “Het topteam wil innovatie stimuleren en dan kom je al snel terecht bij de kleinere bedrijven uit de sector. Die kunnen sneller innoveren en inspelen op ontwikkelingen in de markt, en daardoor makkelijker nieuwe producten ontwikkelen. Maar meestal hebben ze niet het kapitaal om het resultaat te commercialiseren. Als een product dus eenmaal potentie heeft, komen de grote farmaceutische bedrijven in beeld, die wél de infrastructuur en het kapitaal hebben om grote klinische studies te doen met zo´n middel en het wereldwijd op de markt te brengen. De grote bedrijven zijn op het moment overal ter wereld hun laboratoria aan het sluiten en zullen voor nieuwe patenten afhankelijk zijn van kleine onderzoeksbedrijven. Daar ligt dus een grote kans voor het MKB in de sector. Het probleem is dat die kleine bedrijven in het begin alleen maar geld kosten en niets opleveren, maar tijdens die laboratoriumfase en de eerste studies bij mensen is de grote farma er ook nog niet bij betrokken. Vaak sneuvelen ze dan door gebrek aan middelen. In de sector noemen we dat wel “the valley of death”. Ik denk dat daar een belangrijke
taak voor de overheid ligt, om te zorgen dat deze eindstreep wél gehaald wordt.”
Het topteam heeft al een aantal voorstellen gedaan om te helpen dit gat te overbruggen. Bijvoorbeeld door het uitbreiden van innovatiekredieten en het voorzien in een late stage venture fund. Van Weperen is enthousiast over deze initiatieven: “Dankzij het Innovatiekrediet leent to-BBB bij de overheid 35% van de kosten van een hersentumor studie, die uitgevoerd wordt in Nederlandse oncologiecentra. Als het product een succes wordt en dus geld oplevert, moet to-BBB die lening terugbetalen met rente, bij mislukking vervalt de lening. Zo ligt het risico, maar bij succes ook de return bij de overheid. Dat maakt het voor een onderneming als to-BBB ook makkelijker om de rest van de financiering te vinden. Verder wil de overheid zelf indirect gaan mee-investeren in het MKB, door het aanbieden van venture kapitaal. Die plannen worden nu uitgewerkt en ik denk dat dat heel belangrijk is. Het zal ook andere investeerders stimuleren om te participeren; die zijn in deze moeilijke economische tijden noodgedwongen terughoudender geworden. Dit terwijl innovatie waarbij aan oplossingen voor belangrijke ziekten gewerkt wordt, een aantrekkelijke voor investeerders kan zijn zowel vanuit financieel als ideëel..”
Ook op andere gebieden kan er nog veel verbeteren om in Nederland een goed klimaat te scheppen voor innovatie, meent Van Weperen. “Het verkrijgen van toestemming voor klinische studies zou sneller moeten gaan. Ik heb soms het gevoel dat de sense of urgency bij de ziekenhuizen een beetje ontbreekt. Tijd is geld, zeker in onze sector. We moeten ook beter worden in de slag om onderzoeksgegevens om te zetten in patenten. De regiegroep heeft daar een hele duidelijke rol om kapitaal en kennis bij elkaar te brengen. In principe heeft Nederland een uitstekende academische omgeving, en als je dat combineert met onze handelsgeest zijn daar zeker kansen om groot te worden op de internationale markt.”
Hoewel hij in de grote lijnen van de plannen gelooft, vindt Willem van Weperen niet alle voorgestelde maatregelen realistisch. “Het lijkt nu of de grote bedrijven meer mogelijkheden krijgen om hun innovatie te stimuleren, terwijl het MKB buiten de boot valt. Kosten voor onderzoek mogen bijvoorbeeld worden afgetrokken van de vennootschapsbelasting. Dat is leuk voor vennootschappen die winst maken, maar de kleine bedrijven die nog niets verdienen hebben daar niets aan. De WBSO, de belastingaftrek op R&D personeel, wordt uitgekleed, vooral door verlaging van de eerste schijf. Er wordt wel geroepen dat het budget hetzelfde blijft, maar in de praktijk betekent het dat de kleine bedrijven erop achteruitgaan en dat er wellicht meer overblijft voor de grote spelers in de markt. Terwijl het MKB nou juist de motor moet worden van de LSH-sector.”
“In de roadmaps wordt ook gesproken over prestatiecontracten voor zorgoplossingen. Dan vraag ik me wel af of mensen die dat bedacht hebben niet in een fantasiewereld leven. Het kan ontzettend lang duren om een geneesmiddel of product te ontwikkelen, dat kun je niet afdwingen met een prestatiecontract. Je moet vooral de markt zijn werk laten doen om
oplossingen voor belangrijke medical needs te ontwikkelen en niet denken dat je als overheid innovatie kunt sturen. Maar ik wil zeker niet te negatief overkomen als het gaat om de plannen. Over het algemeen ben ik er heel blij mee en ik heb geloof in de instrumenten die worden ingezet. Als de focus maar vooral komt te liggen op de innovatiekracht, het overbruggen van die valley of death aan de ene kant, en onderliggend een degelijke funding voor goed wetenschappelijk onderzoek en onderwijs aan de andere kant. Daar wordt de sector beter van, maar ook de maatschappij zelf.”