Geert Blijham (LSH)

Om de topsector LSH te faciliteren is een regiegroep gevormd. De regiegroep moet inhoud geven aan de topsector, in nauwe samenwerking met de academische wereld, het bedrijfsleven en de overheid. De groep doet dat onder andere door middel van roadmaps die de innovatie binnen de sector moeten stimuleren. Samenwerking tussen de betrokken groepen is daarbij belangrijk. Hoewel de LSH-sector blij is met de nieuwe
impuls, roepen sommige voorgestelde maatregelen ook al voorzichtige protesten op. Een goed teken, vindt prof. dr. Blijham namens de regiegroep “want als je uit twee hoeken kritiek krijgt, betekent dat dat je het goed hebt gedaan.”

De leden van de regiegroep komen uit verschillende onderdelen van de sector zodat er een breed draagvlak is. De groep draagt thema´s aan die er niet alleen voor moeten zorgen dat de sector kan groeien, maar ook maatschappelijk relevante resultaten oplevert. Prof.Blijham: “We moeten verder kijken dan alleen economische winst. Het is ook onze verantwoordelijkheid om te investeren in dingen die de zorg in Nederland beter of goedkoper maken. Zogenaamde me-too producten moeten we niet willen, dat kunnen ze elders veel beter. De nadruk ligt op het stimuleren van dat waar Nederland goed in is: academische excellentie en innovatieve bedrijvigheid. Het is belangrijk dat we daarvoor vooruit kijken en bereid zijn om te investeren. Een voorbeeld van een thema dat we willen stimuleren is moleculaire diagnostiek. Testjes waarvoor de kennisinstellingen de basis hebben gelegd en die door het bedrijfsleven verder worden ontwikkeld, en die behulpzaam kunnen zijn bij preventie of diagnostiek. Of middelen die het mogelijk maken dat zieke mensen langer thuis kunnen wonen. Dingen die een brede impact kunnen hebben in de toekomst en de maatschappij verder helpen. Daar zijn we naar op zoek.”

In de academische wereld maakt men zich zorgen over de nieuwe aanpak. Wetenschappers zijn bang dat zij in dienst komen van bedrijven -die werken vanuit een commercieel oogpunt- en dat de wetenschap op een tweede plaats komt te staan. Blijham heeft begrip voor die angst: “Die discussie is belangrijk en moeten we ook voortdurend blijven voeren. De pijplijn moet aan het begin goed gevuld worden met de resultaten van excellent fundamenteel en translationeel onderzoek. De uitslag daarvan is vaak niet te voorspellen, dat hoort bij de wetenschap. Maar toch is dat de enige manier om wél belangrijke dingen te ontdekken. Nederland investeert te weinig in fundamenteel en translationeel onderzoek, dat is ook een belangrijke oproep aan het ministerie van OCW. Als dat op de goede manier gestimuleerd wordt en potentieel toepasbare resultaten oplevert, wordt samenwerking met het bedrijfsleven van groot belang. Zulke resultaten op de plank laten liggen, daar wint de samenleving niets mee.”

Maar ook uit de bedrijfshoek komt kritiek. Vooral kleine bedrijven uit de sector lijken er op achteruit te gaan met de nieuwe regelingen. Blijham: “Als je van twee kanten kritiek krijgt, betekent dat in ieder geval dat je iets goed hebt gedaan. Als er maar van één kant klachten komen en de andere kant houdt zich stil, dan moet je op je hoofd gaan krabben waar het fout zit. Het is waar dat er zeker nog dingen kunnen verbeteren, vooral bij het MKB. Die zijn juist zo belangrijk geworden voor de Nederlandse LSH sector. De regelgeving op dat gebied laat nog veel te wensen over, het is nu een soort hindernisbaan om een product op de markt te krijgen. Het is terecht dat we zorgvuldig zijn, tenslotte gaat het uiteindelijk om mensen, maar we kunnen wel zorgen dat dat soepeler loopt. Er moeten nu nog teveel dingen dubbel gedaan worden, en we zijn hier en daar Europeser dan Europa. Dat kan anders. Ook het fiscale klimaat kan gunstiger voor het bedrijfsleven. R&D moet beloond worden, daar streven we naar.”

In 2025 moet de Nederlandse LSH-sector tot de top behoren. Hoe meten we dat eigenlijk? En wat als dat gestelde doel niet haalbaar is? Prof. Blijham twijfelt er niet aan of het gaat lukken, volgens hem zitten we op veel gebieden al in die top. “Ik ben niet zo van de lijstjes, wat maakt het nou uit of je nummer één, twee of drie bent. Het ligt er maar net aan welke criteria je gebruikt, en als je kijkt naar de bestaande lijstjes doet Nederland het heel goed. Ik vind zelf dat we de voortgang moeten bekijken aan de hand van het aantal gerealiseerde patenten en licenties, de omvang van de R&Dafdelingen en de producten die naar de markt zijn gebracht. Daaraan kunnen we zien of we slagen in onze doelstellingen. Een internationale vergelijking is gewoon heel moeilijk en niet zo zinvol. Nederland heeft alles in zich om succesvol te zijn en te blijven in de LSH-sector: we zijn heel sterk op academisch gebied; er zijn veel kleine bedrijfjes als spin-offs en spin-outs van academisch onderzoek en enkele hele innovatieve grote bedrijven en het klimaat voor klinisch onderzoek is heel goed. Nederland is een soort wereldwerkplaats. Als we dat blijven stimuleren, en oog hebben voor de commerciële mogelijkheden weet ik zeker dat we in 2025 nog steeds tot de top behoren.”