Het octrooirecht past goed bij de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, vindt Maurice Schellekens van de Tilburg Law School. Toch ziet hij brood in een fundamentele aanpassing: het huidige verbodsrecht veranderen in een vergoedingsrecht.
Schellekens betitelt zijn voorstel als gedachtenexperiment om over een alternatief voor het huidige octrooirecht na te denken. Dat is gebaseerd op een verbod om gebruik te maken van andermans beschermde intellectuele eigendom. “Als we dat verbodsrecht nu eens zouden ombouwen tot een vergoedingsrecht”, oppert hij. “Het alleenrecht op productie zou daarmee vervallen, maar als een ander dan de octrooihouder gebruik maakt van de kennis, moet die daarvoor een vergoeding betalen. Over de hoogte daarvan kunnen partijen dan onderhandelen.”
Uitwassen
De Tilburgse octrooideskundige begrijpt dat op zijn voorstel best wat valt af te dingen. Wat hij wil is een oplossing voor zijn bezwaren tegen ‘uitwassen’ van het huidige systeem. “Dan denk ik bijvoorbeeld aan de zogeheten evergreens. Farmaceutische bedrijven ontwikkelen die als zij het octrooi op een middel zien aflopen en er toch zo lang mogelijk geld aan willen blijven verdienen. Eén tot anderhalf jaar voordat het zover is, wordt dan een nieuw, iets afwijkend geneesmiddel op de markt gebracht. Soms verschilt het maar een fractie van het bestaande middel, maar het krijgt wel opnieuw bescherming. Vervolgens wordt alles in het werk gesteld om patiënten over te zetten op dat nieuwe middel. Daarmee wordt het fabrikanten van generieke middelen soms heel moeilijk gemaakt.”
In de ogen van Schellekens resulteren deze praktijken misschien uiteindelijk niet in een blokkade van de introductie van generieke geneesmiddelen, maar wel voor vertraging. Gemiddeld met een maand of zeven, zo heeft de Europese Commissie uitgerekend. Het Europees Octrooibureau heeft bekend gemaakt dat het scherper gaat toezien op pogingen om geneesmiddelen van een octrooi te voorzien zonder dat sprake is van wezenlijke vernieuwingen.
Free riders
“Ik vind het octrooirecht wel passen bij de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, waarin nu eenmaal veel geld geïnvesteerd moet worden”, vervolgt Schellekens. “Wie dat doet, loopt niet graag het risico dat een free rider de kennis te gelde maakt. Dat geldt wat mij betreft echter alleen voor werkelijk nieuwe geneesmiddelen. Voor zulke nieuwe middelen heb ik geen bezwaren tegen het octrooieren. Feit is echter dat dat neerkomt op een harde weigering om licenties te geven, zoals een huiseigenaar kan weigeren iemand binnen te laten. In plaats van die harde weigering kun je er ook voor kiezen dat de octrooihouder wél een licentie moet geven, maar dat daar dan een vergoeding tegenover staat.” Voor de hand liggende manieren om zo’n wijziging te bewerkstelligen, zoals aanpassing van de octrooiwet, stuiten volgens Schellekens op bezwaren. “Je krijgt dan te maken met een internationaal verdrag als TRIPs (Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights, red.) van de Wereldhandels-organisatie en het is vrijwel uitgesloten daarbinnen veranderingen te bewerkstelligen. Sowieso zul je wijzigingen minimaal op Europees niveau moeten doorvoeren.” Schellekens kijkt daarom naar andere wegen. Hij noemt bijvoorbeeld de Amerikaanse Bayh/Dole Act, die de overheid zogeheten march-in rights geeft om onderzoekers onder dwang licenties te laten verstrekken. Voorwaarde is dat de overheid via subsidies heeft bijgedragen aan het onderzoek dat tot de betreffende uitvinding heeft geleid. De meest veelbelovende route is echter gebaseerd op vrijwilligheid, legt Schellekens uit. De opkomst van patent pools of ‘licentiesupermarkten’ in de geneesmiddelenindustrie kan daartoe een eerste aanzet bieden. Steeds vaker ziet hij rondom een geneesmiddel een cluster van octrooien ontstaan, niet alleen op de werkzame stof, maar ook op de combinatie met hulpstoffen en op de productiewijze. “Octrooihouders poolen die octrooien en bieden dan pakketten ter licensering aan. Het verbodskarakter verdwijnt dan langzaam maar zeker. Dat werkt vooral in sectoren als de ict en de vliegtuigindustrie, waar voor één product veel octrooien nodig zijn die bij verschillende eigenaren liggen. Maar je ziet deze ontwikkeling ook steeds vaker in de farma, die van oudsher altijd één octrooi op één product had.”
Vergoeding
De cruciale vraag is natuurlijk of innovatieve geneesmiddelenbedrijven open staan voor een vergoedingsrecht. Er kleven haken en ogen aan, bijvoorbeeld de moeilijkheid om tot een gerechtvaardigd bedrag te komen. Wie een te hoge vergoeding vraagt, maakt zijn beschermde uitvinding daarmee alsnog onbeschikbaar voor derden. Maar dat kan een rechter of mededingingsautoriteit corrigeren, meent Schellekens. “Uiteraard bepaalt de octrooihouder de hoogte van de vergoeding, maar daar moet wel speelruimte zijn om te onderhandelen. Wordt het bedrag buitensporig hoog, zonder redelijke rechtvaardiging, dan moet van buitenaf ingegrepen kunnen worden.” Het huidige verbodsrecht heeft als voordeel dat het andere spelers in de markt dwingt om iets nieuws te ontwikkelen: het uitgangspunt van innovatie. Hoe draagt de verstrekking van licenties daaraan bij, als die het mogelijk maken om exact hetzelfde te doen dat een ander al gedaan heeft? Schellekens: “Dat is op zich een goed punt. Ik ben er uiteraard voorstander van dat wetenschappers zoeken naar nieuwe, innoverende vindingen. Maar ik zie liever dat ze dat doen vanwege medische of scheikundige indicaties dan puur om juridische redenen.”