Substitutie

Door de wijziging van het zorgstelsel in 2006 krijgen patiënten vaker dan voorheen te maken met vervanging (‘substitutie’) van de hun bekende geneesmiddelen. Daarbij is het van belang dat artsen, apothekers en zorgverzekeraars ieder hun eigen verantwoordelijkheden nemen.

Nefarma vindt dat het te allen tijde de arts is die samen met de patiënt besluit welke behandeling het beste resultaat geeft. Een arts moet volkomen vrij zijn in het maken van de keuze voor het geneesmiddel dat hij aan zijn patiënt voorschrijft. De rol van de apotheker is in de optiek van Nefarma glashelder. Deze moet het recept van de arts nauwkeurig volgen en het geneesmiddel afleveren dat erop staat vermeld. Tegen deze achtergrond kan van therapeutische of biosimilar subsitutie geen sprake zijn. Goede interactie tussen apotheker, arts en patiënt leidt tot betere zorg en tot het voorschrijven van een beter op de situatie toegesneden behandeling.

 


Drie vormen van substitutie

Substitutie betekent letterlijk vervanging. Geneesmiddelsubstitutie komt voor in drie vormen. Wanneer een (merk)geneesmiddel wordt vervangen door een ander middel met dezelfde werkzame stof(fen), in dezelfde sterkte en toedieningsvorm, spreken we van generieke substitutie. Gaat het om een geneesmiddel met een ándere werkzame stof dan noemen we de substitutie therapeutisch. De derde vorm ligt daar een beetje tussenin en heet biosimilar substitutie. In dat geval is de werkzame stof vergelijkbaar maar niet identiek, omdat het medicijn is gemaakt via verschillende biotechnologische productiemethoden. Substitutie kan gevolgen hebben voor de balans tussen de effectiviteit en de bijwerkingen.


Hoe werkt het?

De overheid stimuleert artsen om voor te schrijven op stofnaam. Geeft een arts daar gehoor aan, dan mag de apotheker kiezen uit diverse alternatieven die de voorgeschreven werkzame stof in dezelfde farmaceutische vorm bevatten. De keuze kan dan vallen op het merkgeneesmiddel met de betreffende stof, maar ook op een generieke versie daarvan. Alleen als de arts op het recept heeft aan-gegeven dat een specifiek middel ‘medisch noodzakelijk’ is, moet de apotheker wel het betreffende geneesmiddel afleveren. Tegen deze achtergrond kan van therapeutische of biosimilar substitutie geen sprake zijn.

Wat betekent substitutie voor …

… de patiënt
Substitutie kan gevolgen hebben voor de patiënt. Het betekent dat de (chronisch zieke) patiënt die in eerste instantie bijvoorbeeld het merkgeneesmiddel kreeg, bij herhaling van het recept keer op keer een ander merkloos product meekrijgt, afhankelijk van de keuze van de apotheker of zorgverzekeraar. Vaak zal de ver-pakking, de informatie en ook het geneesmiddel zelf er anders uitzien. Dit kan leiden tot verwarring bij de patiënt en gevolgen hebben voor het succes van de therapie en de therapietrouw. Bovendien kunnen geneesmiddelen van verschil-lende fabrikanten met dezelfde werkzame stof, dezelfde sterkte en dezelfde toedieningsvorm, bij verschillende patiënten verschillend uitwerken.

… de arts
De arts is verantwoordelijk voor het stellen van de diagnose en de keuze van de behandeling. Alleen daar waar de arts uitdrukkelijk ruimte geeft, bijvoorbeeld door het vermelden van een stofnaam op een recept, kan de apotheker een keuze maken uit een groep beschikbare geneesmiddelen met die werkzame stof. Hij moet dan uiteraard wel rekening houden met de op het recept aangegeven dosering en toedieningsvorm.
Een arts moet vrij zijn in het maken van de keuze welk geneesmiddel hij aan de patiënt voorschrijft, omdat hij als enige een totaalbeeld heeft van de patiënt. Artsen kunnen door middel van contracten nadere afspraken maken met zorg-verzekeraars over de kwaliteit en doelmatigheid van de behandeling.

… de apotheker
De apotheker heeft door zijn opleiding en ervaring kennis over geneesmiddelen en over het gebruik in de praktijk. De apotheker mag niet zelfstandig het voorschrift van de arts negeren, ook niet wanneer hij meent dat daar medisch-farmaco-therapeutische redenen voor bestaan. Hij heeft dus geen zelfstandig recht voor generieke, biosimilar of therapeutische substitutie. Wanneer de apotheker een fout of vergissing vermoedt, moet hij contact opnemen met de voorschrijvende arts. De arts kan dan, mede in overleg met de patiënt, tot een nieuwe keuze (en dus een nieuw recept) komen.

… de zorgverzekeraar
Zorgverzekeraars kunnen via medewerkerovereenkomsten met artsen en apothekers afspraken vastleggen over kwaliteit en doelmatigheid van de behandeling. Het preferentiebeleid dat door enkele zorgverzekeraars wordt gehanteerd, beperkt de keuzevrijheid voor apothekers en artsen, omdat binnen een werkzame stof en sterkte uitsluitend het door de verzekeraar aangewezen geneesmiddel wordt vergoed. Deze afspraken dienen wel transparant te zijn voor de verzekerden.